Feline Immunodeficiëntie Virus (FIV)

 
 

 

Een voortdurende infectie met het Feline Immunodeficiëntie Virus (FIV) komt regelmatig voor, vooral bij katten die vrij buiten lopen. Het virus kan na enige tijd ernstige ziekteverschijnselen veroorzaken geassocieerd met de immunodeficiëntie. Veel katten kunnen een goede gezondheid behouden terwijl ze geïnfecteerd zijn, echter ze kunnen tegelijkertijd het virus op andere katten overbrengen.

De symptomen van de ziekte geassocieerd met een FIV infectie zijn niet specifiek. Tijdens de primaire fase van de infectie, de eerste 2-4 maanden, kunnen de katten gedurende een korte periode ziek zijn met algehele malaise, koorts en mogelijk vergroting van de lymfeklieren. De meeste katten herstellen van deze verschijnselen en komen in de tweede fase waarbij ze schijnbaar gezond lijken. 

Uiteindelijk kunnen zich in de derde fase van de infectie nog andere symptomen ontwikkelen.  Dit kan gebeuren als direct gevolg van het virus. Zo kan infectie van het centrale zenuwstelsel  tot neurologische verschijnselen of afwijkend gedrag leiden en infectie van het maagdarmkanaal leidt soms tot chronische diarree. Echter in de meeste gevallen van klinische ziekte worden de symptomen veroorzaakt door de immunodeficiëntie welke het virus veroorzaakt. Dit kan zich op velerlei manieren uiten, zodat de klinische symptomen sterk kunnen variëren. Echter de combinatie van meerdere voortdurende of telkens terugkerende klinische symptomen kan wijzen op een immunodeficiëntie. Veel voorkomende symptomen zijn malaise, gewichtsverlies, verminderde eetlust, koorts, vergrote lymfeklieren en gingivitis (tandvleesontsteking). Er kan een predispositie zijn voor andere chronische problemen zoals rhinitis, conjunctivitis, chronische abcesvorming of cellulitis en huidproblemen. Katten met FIV-geassocieerde immunodeficiëntie hebben een verhoogde kans op tumoren, in het bijzonder maligne lymfoom, en zijn gevoeliger voor infecties welke bij gezonde katten vaak geen of weinig problemen geven.

Hoe wordt FIV verspreid?
Bijten is de belangrijkste manier van overdracht van FIV. Infectie lijkt ook plaats te vinden bij intensief sociaal contact tussen katten die in een groep leven waarbij geen uitgesproken agressie voorkomt, maar dit wordt beschouwd als een minder efficiënte manier van verspreiding. Men denkt dat in deze situatie, net als bij FeLV, de opname van speeksel een belangrijke rol speelt. Een klein deel van de kittens (waarschijnlijk ongeveer 1 op 5) geboren uit een FIV geïnfecteerde moeder kan ook geïnfecteerd zijn.

Voorkomen van FIV en wat zijn de risico factoren
Tussen de 3 en 6 procent van de gezonde kattenpopulatie in de UK is positief. Bij zieke katten aangeboden bij dierenartspraktijken ligt dit percentage tussen de 12 en 18 procent  in de UK. Deze cijfers kunnen sterk variëren tussen verschillende gebieden en tussen verschillende kattenpopulaties zoals zwerfkatten en boerderijkatten, echter waar het virus aanwezig is kan het voorkomen hoog zijn De infectie komt zelden voor bij groepen raskatten

Belangrijke risicofactoren die worden onderkend voor FIV houden verband met de meest voorkomende manier van virusoverdracht, namelijk via bijten. Ongecastreerde katers lopen daarom meer kans op besmetting, en ook het vrij buiten rondlopen verhoogt het voorkomen. Elke kat kan op iedere leeftijd besmet worden, waardoor de prevalentie van infectie stijgt met  toenemende leeftijd. Er is vaak een aanzienlijke tijd tussen de besmetting en de ontwikkeling van klinische symptomen, waardoor de ziekte meestal bij katten van  middelbare tot oudere leeftijd tot uiting komt. In tegenstelling tot bij FeLV worden veel FIV geïnfecteerde katten niet ziek gedurende hun leven.

Testen voor FIV
Er zijn meerdere testen beschikbaar voor FIV, waaronder testen die in de dierenartspraktijk uitgevoerd kunnen worden. De laatsgenoemde testen op de aanwezigheid van antistoffen tegen het virus, meestal gericht tegen het p24 eiwit (kerneiwit virus) of het gp40 eiwit (envelopeiwit virus) en soms tegen beiden. De meeste testen zijn gebaseerd op enzyme-linked immunosorbent assays (ELISA) of immunochromatography (IC). Vaak worden er testen gebruikt die zowel voor FIV als FeLV testen.

Testen welke in een laboratorium gedaan worden zijn de immunofluorescentie en de western blotting welke antistoffen tegen FIV detecteren, en virus isolatie en  de polymerase chain reactie (PCR) welke het virus zelf detecteren. De immunofluorescentie is een zeer gevoelige test op antistoffen tegen alle virale eiwitten en wordt ook vaak als een eerste test gedaan. De andere testen worden vaak als een bevestiging gezien van de ELISA. Western blotting is ook een gevoelige test welke antistoffen tegen specifieke virale eiwitten detecteert. Virus isolatie is ook een gevoelige test maar is duur, tijdrovend en vereist bepaalde voorzieningen waardoor deze niet geschikt is voor routine onderzoek.

PCR testen detecteren de FIV nucleïnezuren (het genetisch materiaal). Deze testen zijn erg gevoelig en komen steeds meer beschikbaar. PCR is zeer geschikt om de infectie bij jonge kittens met maternale antistoffen tegen FIV aan te tonen (zie verder).  Voor in de praktijk gebruikte testkits voor zowel FIV als FeLV gelden dezelfde regels voor wat betreft nauwkeurigheid en de mogelijkheid tot fouten. De ELISA testen in de praktijk hebben een hoge specificiteit. Dit betekent dat als de testen correct uitgevoerd worden met voldoende materiaal een positieve test over het algemeen betrouwbaar is. Echter het wordt sterk aangeraden om bij een positieve test in de praktijk de diagnose te bevestigen door een tweede test zoals de IC of de Western blotting, zeker als het een gezonde kat betreft. De testen in de praktijk worden het beste uitgevoerd met serum of plasma in plaats van volbloed. Bij elke test is er een kans op een vals positieve of een vals negatieve uitslag. Wanneer een kat die sterk verdacht is van FIV negatief test, wordt het daarom sterk aangeraden om nogmaals te testen met een andere methode.

Prognose voor geïnfecteerde katten
De prognose van FIV geïnfecteerde katten is minder voorspelbaar maar meestal beter dan voor FeLV geïnfecteerde katten. De vooruitzichten voor katten die ernstige, chronische en meerdere ziekteverschijnselen hebben zijn slecht. Als de symptomen nog niet lang bestaan en niet ernstig zijn, is er een redelijk vooruitzicht op verbetering door behandeling, welke enige tijd in stand kan worden gehouden. Een behandeling is meestal ondersteunend zoals met  antibiotica en soms met antivirale therapie. Een deel van de FIV positieve katten zonder ziekteverschijnselen blijven gezond gedurende langere perioden en sommige worden nooit ziek.

Vaccinatie
In de USA is er een vaccin geregistreerd voor FIV. Op het ogenblik is het onbekend of in de praktijksituatie (buiten het laboratorium) het een effectieve bescherming geeft. Het is in Nederland niet verkrijgbaar. Een probleem met het vaccin is dat het antistoffen bij de kat induceert, waardoor geïnfecteerde katten niet eenvoudig onderscheiden kunnen worden van gevaccineerde katten met de meest gebruikte testen. Bij gezonde FIV geïnfecteerde katten wordt een goede vaccinatie tegen kattenziekte en niesziekte geadviseerd.
 
Speciale overwegingen
1. Individueel gehouden huiskatten
De binnen-/buitenkat   
Deze moeten getest worden op FIV als ze ziek zijn en symptomen hebben die veroorzaakt kunnen worden door een FIV infectie. Een geïnfecteerde FIV kat is een risico voor andere katten. Om het risico van besmetting zoveel mogelijk te voorkomen is isolatie van deze kat van andere katten belangrijk. Daarbij komt dat voor de geïnfecteerde FIV kat het binnen gehouden worden ervoor zorgt dat het dier meer beschermd wordt tegen blootstelling aan andere infectieuze agentia welke bij een immunodeficiëntie kat een ernstige ziekte kunnen veroorzaken. Bij sommige katten wordt het welzijn door binnen houden zo aangetast dat het niet toegepast kan worden. Hier moet de eigenaar steeds de afweging maken tussen het welzijn van het dier en het risico voor de kat en andere katten. Soms is het mogelijk om rond de tuin een hek te plaatsen of in de tuin een ren (uitloop) te bouwen, zodat het dier naar buiten kan gaan zonder in contact te komen met andere katten waardoor het geen risico loopt en geen risico kan vormen voor andere katten.

De binnenkat  
Deze katten hebben geen risico om met FIV in contact te komen. Echter aangezien er een lange tijd tussen de infectie en de ontwikkeling van de symptomen kan zijn, bestaat de mogelijkheid dat het dier reeds als kitten besmet is geraakt. Dit terwijl het zijn gehele verdere leven in afzondering van andere katten heeft geleefd.

2. Meerdere katten in huis 
Hier gelden dezelfde overwegingen betreffende het isoleren van deze katten van katten uit de omgeving. Verspreiding van het virus tussen de katten in huis vergt ook onze aandacht omdat FIV ook overgedragen kan worden onder katten zonder duidelijke agressie tegen elkaar.

Als een van de katten FIV geïnfecteerd is, moet de status van de andere katten onderzocht worden. Vervolgens kunnen de besmette katten gescheiden worden van de niet besmette indien dat praktisch mogelijk is. Algemene maatregelen om de gezondheid te optimaal te houden kunnen bijdragen aan zowel het verminderen van de verspreiding van infectie als van het voortschrijden van de ziekte.  

Om te voorkomen dat de aanwezige katten geïnfecteerd worden of dat een nieuwe kat geïnfecteerd wordt is het aan te raden om de nieuw te introduceren katten te testen op FIV voordat zij opgenomen wordent in het huis.

3. In asiels (kattenopvang)
Wat zou het test protocol voor katten moeten zijn die nieuw binnenkomen in het asiel?
In de ideale wereld zouden alle nieuwe katten getest worden op FIV. Echter de kosten hiervoor zijn hoog. Het voorkomen van een FIV infectie is 3 tot 6 procent. Echter dit neemt toe met de leeftijd en bij risico groepen. Daarom is het advies om in ieder geval de risico groep te testen. Deze groep bestaat in ieder geval uit de ongecastreerde katers, zieke katten, de katten met zichtbare verschijnselen van vechten en tenslotte wilde katten. Moeilijk te hanteren  katten kunnen gecastreerd worden, terwijl tegelijkertijd bloed onder narcose afgenomen kan worden.

Wat is  de verantwoordelijkheid/ juridische overweging voor het asiel?
Asiels hebben een zorgtaak en dienen datgene te doen wat onder die omstandigheden realistisch uitvoerbaar is. Zoals reeds vermeld is het niet altijd mogelijk om elke kat of kitten te testen, echter of ze wel of niet getest zijn dient aan de nieuwe eigenaar gemeld te worden vergezeld van een eventuele uitslag. Een op FIV positief geteste kat mag niet herplaatst worden zonder de nieuwe eigenaar volledig te informeren over de risico’s.

Welk protocol wordt geadviseerd voor kittens?
Bij kittens is het moeilijk om een FIV infectie vast te stellen gebaseerd op testen die antistoffen detecteren. Als de moeder geïnfecteerd is met FIV heeft ze antistoffen tegen FIV. Het kitten krijgt dan van de moeder maternale antistoffen zodat er antistoffen bij het kitten zijn zonder dat er van infectie sprake hoeft te zijn. Echter er is ook een kans dat het kitten na de geboorte actief geïnfecteerd wordt door de moederpoes. Een screening gebaseerd op testen op antistoffen moet uitgesteld worden tot dat het kitten 20 weken oud is, aangezien dan de maternale antistoffen niet meer aanwezig zijn. Als het kitten zelf geïnfecteerd is zal het inmiddels zelf antistoffen aangemaakt hebben (dwz. een positieve test is dan een werkelijke infectie). Positieve kittens jonger dan 20 weken die antistoffen hebben kunnen het beste in het asiel blijven en op 20 weken leeftijd opnieuw getest worden. Een alternatief is om te testen op aanwezigheid van virus via PCR of virus isolatie. Dit kan op elke leeftijd gedaan worden.

Wat te doen met  positieve katten?
Een FIV positieve kat die ziek is, met symptomen die wijzen op uitgesproken immunodeficiëntie, kan men het beste laten inslapen. Een FIV positieve kat met geringe klinische symptomen kan met een gepaste behandeling klinisch herstellen. Elke volwassen FIV positieve kat zonder klinische symptomen kan een goede levensverwachting hebben en kan herplaatst worden. Echter gezien de risico’s voor andere katten, moeten er geen katten aanwezig zijn in het nieuwe huis en moeten de nieuwe eigenaren kunnen aantonen dat de kat niet naar buiten kan gaan. Als met deze voorwaarden geen herplaatsing mogelijk is dan zal  euthanasie de enige oplossing zijn.

4. Wilde katten
Wilde katten die jong genoeg zijn om in huis geplaatst te worden kunnen beschouwd worden als asielkatten (zie eerder). Alle wilde katten moeten getest worden en FIV positieve katten geeuthaneseert en niet teruggezet in de groep.

5. Fok- en show-katten
Het risico van verspreiding van FIV tijdens shows is minimaal. Met positieve katten dient niet gefokt te worden, en nieuwe eigenaren en andere fokkers dienen te informeren naar de FIV status van de katten. De meeste fokkers testen regelmatig op FIV en de meeste raskatten worden binnen of in rennen gehouden zodat de kans op FIV infectie van andere katten minimaal is.
 
Referenties

Review van FIV en gerelateerde aandoeningen
Pedersen NC , Yamamoto JK, Ishida T, Hansen H (1989) Feline immunodeficiency virus infection. Veterinary Immunology and Immunopathology 21, 111-129
Sellon RK, Hartmann K (2006) Feline Immunodeficiency Virus Infection In Infectious Diseases of the Dog and Cat. Third Edition, pp131-143. Ed. CE Greene. Pub Saunders Elsevier
Sparkes AH, Hopper CD, Millard WG, Gruffydd-Jones TJ, Harbour DA (1993) Feline immunodeficiency virus infection. Clinicopathologic findings in 90 naturally occurring cases. Journal of Veterinary Internal Medicine 7, 85-90
 
Prevalentie
Hosie MJ, Robertson C, Jarrett O (1989) Prevalence of feline leukaemia virus and antibodies to feline immunodeficiency virus in cats in the United Kingdom. Veterinary Record 125, 293-297
Muirden A. (2002) Prevalence of feline leukaemia virus and antibodies to feline immunodeficiency virus and feline coronavirus in stray cats sent to an RSPCA hospital. Veterinary Record 150, 621-625
 
Diagnostische testsen
Barr MC (1996) FIV, FeLV, and FIPV: interpretation and misinterpretation of serological test results. Seminars in Veterinary Medicine and Surgery (Small Animal) 11, 144-153.
Bienzle D, Reggeti F, Wen X, Little S, Hobson J, Kruth S. (2004) The variability of serological and molecular diagnosis of feline immunodeficiency virus infection. Canadian Veterinary Journal 45, 753-757.
Reid RW, Barr MC, Scott FW. (1992) Retrospective serologic survey for the presence of feline immunodeficiency virus antibody: a comparison of ELISA and IFA techniques. Cornell Veterinarian 82, 359-369
Richards JR. (2005) Feline immunodeficiency virus vaccine: implications for diagnostic testing and disease management. Biologicals 33, 215-217
 
Prognose
Addie DD, Dennis JM, Toth S, Callanan JJ, Reid S, Jarrett O (2000) Long-term impact on a closed household of pet cats of natural infection with feline coronavirus, feline leukaemia virus and feline immunodeficiency virus. Veterinary Record 146, 419-424
Goto Y, Nishimura Y, Baba K, Mizuno T, Endo Y, Masuda K, Ohno K, Tsujimoto H (2002) Association of plasma viral RNA load with prognosis in cats naturally infected with feline immunodeficiency virus. Journal of Virology 76, 1079-1083.
 
Vaccinatie
Andersen PR, Tyrrell P (2004) Feline immunodeficiency virus diagnosis after vaccination. Animal Health Research Reviews 5, 327-330
Huang C, Conlee D, Loop J, Champ D, Gill M, Chu HJ (2004) Efficacy and safety of a feline immunodeficiency virus vaccine. Animal Health Research Reviews 5, 295-300
Kahler SC; American Association of Feline Practitioners. (2002) Deluge of questions prompts AAFP to develop FIV vaccine brief. American Association of Feline Practitioners Journal of the American Veterinary Medical Association 221, 1231-1234.
Levy JK, Crawford PC, Slater MR. (2004) Effect of vaccination against feline immunodeficiency virus on results of serologic testing in cats. Journal of the American Veterinary Medical Association 225, 1558-1561
Matteucci D, Poli A, Mazzetti P, Sozzi S, Bonci F, Isola P, Zaccaro L, Giannecchini S, Calandrella M, Pistello M, Specter S, Bendinelli M. (2000) Immunogenicity of an anti-clade B feline immunodeficiency fixed-cell irus vaccine in field cats. Journal of Virology 74, 10911-10919
 
Laatste herziening mei 2006; vertaald januari 2007.

 

sharing information for the good of cats

NVK is a member of FVF

©This information sheet is produced by the Feline Advisory Bureau

The Feline Advisory Bureau is the leading charity dedicated to promoting the health and welfare of cats through improved feline knowledge, to help us all care better for our cats. Currently we are helping almost 4 million cats and their owners a year. If this advice has helped you care better for your cat please enable us to help others by making a donation. To do this you can either click here or send a cheque to the address below (made payable to ‘Feline Advisory Bureau')

FAB, Taeselbury, High Street, Tisbury, Wiltshire, UK, SP3 6LD

www.fabcats.org

Registered Charity No: 1117342